Tafels oefenen: zo pak je het aan
In groep 4 en 5 leren kinderen de tafels. Vanaf groep 6 wordt verwacht dat ze die vlot kennen, want delen, breuken en kommagetallen bouwen erop voort. Wie bij 7 × 8 nog moet tellen, heeft minder ruimte over voor het echte nieuwe werk. Zo help je thuis.
Het zijn er minder dan je denkt
De tafels van 1 tot en met 10 lijken 100 sommen. Maar 3 × 8 is hetzelfde als 8 × 3: wie dat doorheeft, heeft er ineens bijna de helft minder. Haal je daarna de makkelijke tafels van 1, 2, 5 en 10 eraf, dan blijven er maar 21 sommen over om echt te leren.
Omdraaien mag bij keer altijd. Laat het je kind zien met een rooster van knikkers dat je een kwartslag draait.
Een slimme volgorde
Oefen niet van de tafel van 1 naar de tafel van 10, maar van makkelijk naar moeilijk, zodat elke nieuwe tafel steunt op een tafel die je kind al kent.
- Tafel van 1 en 10. Bijna gratis: 1 × 7 = 7 en 10 × 7 = 70.
- Tafel van 2 en 5. Verdubbelen en ‘de helft van 10 keer’. Veel kinderen kennen ze al.
- Tafel van 4. Het dubbele van de tafel van 2: 4 × 6 is 2 × 6 en dat nog eens.
- Tafel van 3 en 9. 9 keer is 10 keer min één keer: 9 × 7 = 70 − 7 = 63.
- Tafel van 6 en 8. Het dubbele van 3 en van 4: 6 × 7 = 3 × 7 + 3 × 7 = 21 + 21.
- Tafel van 7. Als laatste: bijna alles uit deze tafel ken je dan al uit andere tafels.
- Tafel van 11 en 12. Uitbreiding: 12 × 6 = 10 × 6 + 2 × 6 = 60 + 12.
Ankertafels: rekenen vanuit wat je al weet
De tafels van 1, 2, 5 en 10 heten ook wel ankertafels. Een som die je kind (nog) niet uit het hoofd weet, kan het afleiden van een anker in de buurt. Dat is geen valsspelen: juist zo raken de sommen verbonden en blijven ze beter hangen.
Een keer meer of minder dan een anker, of het dubbele van een tafel die je al kent.
Delen is keer, maar dan andersom
In groep 6 wordt delen net zo belangrijk als vermenigvuldigen. Leer delen daarom niet als iets nieuws, maar als een vraag over een tafel: 56 : 8 betekent ‘welk getal keer 8 is 56?’ Elke tafelsom hoort bij een familie van vier.
Bij delen met rest zoek je het grootste tafelfeit dat er nog in past. Wat overblijft is de rest, en die is altijd kleiner dan het getal waardoor je deelt.
5 × 4 = 20 past in 23, 6 × 4 = 24 niet meer. 23 − 20 = 3.
Vlot is iets anders dan opzeggen
Veel kinderen kunnen een tafel foutloos opzeggen, maar moeten bij een losse som toch het rijtje aflopen. Het doel is dat een som meteen ‘klaarligt’: binnen een paar seconden, zonder te tellen. Dat bereik je met:
- Kort en vaak. Vijf minuten per dag werkt beter dan een uur op zaterdag.
- Door elkaar. Vraag 7 × 6, dan 3 × 8, dan 42 : 7, niet de tafel van voor naar achter.
- Hardop en overal. In de auto, aan tafel, op de fiets: ‘Wat is 6 × 8?’
- Focus op wat nog niet lukt. De sommen die al vlot gaan, hoeven niet steeds terug te komen.
Tip voor thuis: Schrijf de drie lastigste sommen van deze week op een briefje op de koelkast. Vraag ze elke dag één keer, en vervang een som zodra hij vlot gaat.
Veelgemaakte fouten
7 × 8 =15 (fout)56 (goed)
Optellen in plaats van keer. Leg 7 rijtjes van 8 knikkers neer en tel samen: zo wordt ‘keer’ zichtbaar als groepjes.
7 × 8 =54 (fout)56 (goed)
Een buurantwoord uit een andere tafel (6 × 9 = 54). Dit zijn precies de sommen om vaker en losser te oefenen.
23 : 4 =4 rest 7 (fout)5 rest 3 (goed)
Een rest die groter is dan het deelgetal. Zolang er nog 4 over zijn, kan iedereen er nog één bij krijgen.
Zo helpt Summi
In de Tafelarena is elk goed antwoord een aanval op een monster. Summi houdt per tafel bij wat al vlot gaat en wat nog niet, en laat de lastige sommen vaker terugkomen, net voordat ze weg zouden zakken.
Summi herkent fouten zoals optellen in plaats van keer, of een rest die te groot is, en geeft daarna gerichte opgaven. In de oefenhoek kiest je kind zelf een tafel. Als ouder zie je per tafel hoe het gaat. Wat er naast de tafels in groep 5 aan bod komt, lees je in Rekenen in groep 5: wat leert je kind?. Meer over breuken lees je in Breuken oefenen in groep 7 en 8.